Lees Jesaja 45, 46, 47 en 48
“Wie heeft dit van oudsher doen horen? Wie heeft dat van toen af bekendgemaakt? Ben Ik het niet, de HEERE? Buiten Mij is er geen andere God, een rechtvaardig God, een Heiland; er is niemand behalve Ik. Wend u tot Mij, word behouden, alle einden der aarde, want Ik ben God en niemand anders.” (Jesaja 45:21-22, HSV)
Het volk Juda werd uiteindelijk in ballingschap weggevoerd naar Babylon, het gebied van de Chaldeën. Daar kregen zij het zwaar te verduren. Maar God liet hen niet los. Hij raakte de harten van de koningen van Babylon aan. Denk aan Nebukadnezar, die door dromen en diepe vernedering de allerhoogste God erkende. Zijn opvolger Belsazar weigerde zich echter te verootmoedigen en misbruikte de tempelvoorwerpen, waarna Gods oordeel over zijn rijk viel. De Babyloniërs vertrouwden op hun toverijen en bewezen Gods volk geen enkele barmhartigheid.
“Ik was zeer toornig op Mijn volk, Ik ontheiligde Mijn eigendom en Ik gaf hen over in uw hand, maar u bewees hun geen barmhartigheid, ja, zelfs voor de oude maakte u uw juk zeer zwaar.” (Jesaja 47:6, HSV)
Babylon werd vervolgens veroverd door de Meden en de Perzen. Ook de Meder Darius (bekend van Daniël in de leeuwenkuil) en de Perzische koning Kores raakten diep onder de indruk van Gods macht. God noemt Kores in de profetieën van Jesaja zelfs Zijn 'gezalfde'. Terwille van Gods volk is Kores door God geroepen om de ballingen vrij te laten en de stad te herbouwen.
“Ík heb Kores doen opstaan in gerechtigheid, en al zijn wegen zal Ik rechtmaken. Híj zal Mijn stad bouwen en hij zal Mijn ballingen vrijlaten, zonder betaling en zonder geschenk, zegt de HEERE van de legermachten.” (Jesaja 45:13, HSV)
In de Heere zullen al de nakomelingen van Israël gerechtvaardigd worden en roemen. Dit doet Hij omwille van Zijn Naam. God zal Zijn volk nooit loslaten; Hij leidt hen op al Zijn wonderlijke wegen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten