Lees Jeremia 10, 11, 12 en 13
“Niemand, HEERE, is U gelijk, groot bent U en groot is Uw Naam in sterkte...De HEERE God is echter de Waarheid, Hij is de levende God, een eeuwig Koning. Voor Zijn grote toorn beeft de aarde, de heidenvolken kunnen Zijn gramschap niet verdragen.” (Jeremia 10:6, 10, HSV)
God is de Schepper van hemel en aarde; wat zijn de creaties van de mens daarbij vergeleken? Hoe is het mogelijk dat zij het werk van hun eigen handen aanbidden en in de schepping Gods werk niet kunnen ontdekken? Jeremia worstelt met de voorspoed van de goddelozen.
Hij waarschuwt het volk, maar zelfs de profeten uit Anathoth — de groep waar hij aanvankelijk zelf deel van uitmaakte — staan hem nu naar het leven. Zij kunnen de waarheid niet verdragen, want ook zij zijn niet vrij van zonde. Zelfs de familieleden van Jeremia zijn niet te vertrouwen, al doen ze vriendelijk. Ze zijn vals en verraderlijk.
Hoewel het volk in ballingschap zal gaan, zal God Zich uiteindelijk weer over hen ontfermen. Niet alleen over Israël, maar ook over de heidenvolken die via hen de HEERE leren kennen en voor Hem willen leven.
De ballingschap heeft ook een positieve kant: het volk komt tot inkeer en ook andere volken leren door Israëls ballingen God kennen. Dit is vergelijkbaar met de vervolging van de discipelen, die er juist voor zorgde dat steeds meer mensen in aanraking kwamen met het evangelie.




