Lees Jesaja 1, 2, 3 en 4
Jesaja profeteerde in de tijd van Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda. Jesaja waarschuwt voor liefdeloosheid, het onderdrukken van de weduwe en de wees, en het onrecht in de rechtspraak. Het leven van de mensen draait niet meer om ontzag voor God, maar vooral om henzelf: iemand willen zijn ten koste van de ander, met meer oog voor het uiterlijk dan voor het innerlijk.
"Ik wil dat in alle plaatsen de mannen bij het bidden heilige handen opheffen, zonder ruzie of tweedracht. Ook wil ik dat de vrouwen zich beschaafd en gepast kleden, en dat ze zich tooien met bescheidenheid en eenvoud; niet met fraaie kapsels, goud, parels en kostbare kleding, maar, zoals gepast is voor vrouwen die zeggen God te dienen, met goede daden." (1 TIMOTEÜS 2:10, VB)
Als zij zo doorgaan, zullen ze moeten oogsten wat ze hebben gezaaid. God waarschuwt dat het oordeel gelijk zal zijn aan dat van Sodom en Gomorra. Maar met de waarschuwing geeft God ook uitzicht en hoop: God wil hen zelf witter wassen dan sneeuw. De volken zullen de grootheid van God erkennen en naar Zijn heilige stad komen. Hier zal de aanwezigheid van God als een beschuttende wolk en vuurgloed aanwezig zijn.
Net als in het allereerste begin waarschuwt God. Toch blijft Hij de mens opzoeken: "Mens, waar ben je?" Hij blijft ons uitnodigen om tevoorschijn te komen en Zijn redding te aanvaarden. God wil namelijk niet dat er ook maar één mens verloren gaat. Hij laat ons Zijn hoopvolle toekomst zien.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten