Lees 1 Koningen 15: 1-8 en 2 Kronieken 13: 1-22
Abia, de zoon van Rehabeam, wordt koning nadat Rehabeam zeventien jaar over Jeruzalem heeft geregeerd. De moeder van Abia was Maächa, een kleindochter van Absalom.
Net als zijn vader zoekt Abia God niet in zijn dagelijks leven. Koningen 15:3 zegt dat Abia's hart niet volkomen toegewijd was aan de HEER, zoals het hart van zijn overgrootvader David. Hij wandelde in de zonden van zijn vader Rehabeam.
Het boek Koningen benadrukt dat Abia de troon alleen maar mocht behouden omdat God een belofte aan David had gedaan om altijd een 'lamp' (een nakomeling) in Jeruzalem te laten branden.
Op een dag tegen trekken Juda en Israël elkaar ten strijde. Hoewel Juda zwaar in de minderheid is tegen de overmacht van Israël, waarschuwt Abia zijn vijand dat alleen Juda op de ware God vertrouwt. Abia stond met 400.500 soldaten tegenover een leger van 800.000 man en hij was omsingeld.
In deze crisis vertouwt hij toch op God en God beschaamt dat vertrouwen niet: Juda brengt Israël een grote slag toe. Uiteindelijk regeert Abia maar drie jaar als koning.
Ondanks zijn korte regeerperiode van drie jaar vertelt de Bijbel dat Abia wel heel machtig werd en een groot gezin achterliet: hij had 14 vrouwen, 22 zonen en 16 dochters.
Hoewel Abia niet volkomen toegewijd was, vertrouwde hij op het moeilijkste moment wel op God.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten