Lees Amos 7, 8 en 9
"Zie, er komen dagen, spreekt de Heere HEERE, dat Ik honger in het land zal zenden; geen honger naar brood, geen dorst naar water, maar om de woorden van de HEERE te horen." (Amos 8:11, HSV)
In deze hoofdstukken lezen we meer over de afgodendienst van Israël. Koning Jerobeam liet gouden kalveren plaatsen om te voorkomen dat het volk naar het Jeruzalem zou trekken. Eén in Bethel ten zuiden en één in Dan, het uiterste noorden om de noordelijke stammen te bedienen. Zij hoefden zo niet helemaal naar Bethel te reizen.
Het andere gouden kalf in Bethel was het religieuze middelpunt van het tienstammenrijk, waar ook de koningen hun offers brachten. Hoewel Bethel slechts 15 kilometer van Jeruzalem lag, wilden de koningen van Israël, koste wat het kost, voorkomen dat de Israëlieten zouden overlopen naar het koninkrijk van Juda.
God had immers Jeruzalem aangewezen als de centrale plaats voor aanbidding, maar de Israëlieten aanbaden het gouden kalf liever op de historische plek waar aartsvader Jakob de hemel geopend had gezien. Vanwege deze afgoderij werd Bethel (het Huis van God) door de profeten later ook wel spottend Beth-Aven genoemd: het Huis van goddeloosheid (of Huis van ijdelheid).
Daarnaast lezen we over de plaats Berseba. Deze stad lag in het uiterste zuiden. De uitdrukking "van Dan tot Berseba" werd in de Bijbel gebruikt om heel Israël aan te duiden. Het uiterste noorden en het uiterste zuiden van Israël.
In Berseba hadden de aartsvaders Abraham, Izak en Jakob in het verleden altaren gebouwd en de Naam van de Heere aangeroepen. In de tijd van de koningen was deze historische plek helaas uitgegroeid tot een afgodisch pelgrimsoord, waar zelfs de noordelijke Israëlieten naartoe trokken.
God zegt het oordeel aan maar ook de belofte van herstel. Israël zal zijn schuld onder ogen moeten komen. Toch zal God dit volk niet loslaten.
"Op die dag zal Ik oprichten de vervallen hut van David. Zijn scheuren zal Ik dichtmaken, en wat aan hem is afgebroken, zal Ik oprichten, Ik zal hem opbouwen als in de dagen van oude tijden af;.......Ik zal hen in hun land planten, en zij zullen nooit meer weggerukt worden uit hun land, dat Ik aan hen gegeven heb, zegt de HEERE, uw God." (Amos 9:11, 15, HSV)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten