Lees Hosea 1, 2 en 3
Israël wordt voorgesteld als een overspelige vrouw. Om dit aanschouwelijk te maken, vraagt God aan Hosea om te trouwen met een prostituee.
Hun eerste zoon moet Hosea Jizreël ('God zaait') noemen. Hoewel dit een vruchtbaar gebied in Galilea is, verwijst de naam hier naar de bloedige geschiedenis van deze regio. De vroegere koningin Izebel had daar Naboth laten doden om zijn wijngaard te confisqueren voor haar man Achab. Ook wordt gesproken over de bloedschuld van Jehu. Jehu was de man die door de profeet Elisa was gezalfd tot de nieuwe koning van Israël. Hij roeide het hele nageslacht en het koningshuis van de goddeloze Achab uit, en doodde ook koning Ahazia van Juda, die in Jizreël op bezoek was bij de zoon van Achab (2 Koningen 9).
Maar deze Jehu ging vervolgens wel door met de aanbidding van de gouden kalveren; een echte geestelijke hervorming kwam niet van de grond. Daarom zal Israël in de vlakte van Jizreël ophouden een zelfstandig koninkrijk te zijn.
Daarna krijgt Hosea een dochter die hij Lo-Ruchama ('geen ontferming') moet noemen. In tegenstelling tot Juda zal God Zich niet langer over het tienstammenrijk Israël ontfermen.
Hierna krijgt hij nog een zoon, die hij Lo-Ammi ('niet Mijn volk') noemt. God zal er niet meer voor hen zijn als hún God. Maar direct daarna volgt de belofte dat God hen in de toekomst zal noemen: 'Kinderen van de levende God'. Eens zullen Juda en Israël weer één koninkrijk vormen onder één Hoofd.
God zal Israël eerst alles ontnemen en door een woestijnperiode leiden, totdat zij tot de ontdekking komt dat het God Zelf was die haar altijd alles gaf.
““Hen heeft Hij ook geroepen, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen. Zoals Hij ook in Hosea zegt: Ik zal Niet-Mijn-volk noemen: Mijn volk, en de Niet-geliefde: Geliefde.”
Romeinen 9:24-25, HSV
De bruid en de Bruidegom

Geen opmerkingen:
Een reactie posten