Lees Psalm 21, 1Kronieken 1 en 2
Deze hoofdstukken dienen om het koningschap van David te legitimeren. 1 Kronieken 1 en 2 vormen een namenlijst van Adam tot aan de koningen. Het beschrijft het volk Israël en haar plaats in de wereldgeschiedenis. Het begint bij Adam en loopt via Noach naar de zonen van Cham, Jafet en Sem. Nimrod, de zoon van Cham, wordt hierbij omschreven als een machtige op aarde en de eerste grote wereldleider. De tekst legt uit waar de verschillende volken uit die tijd van afstamden, waarna de lijn wordt voortgezet van de nakomelingen van Sem tot aan de kinderen van Abraham.
Tussendoor krijgen de koningen van Edom de aandacht; een volk dat al koningen kende voordat Israël die had. Deze lijst begint met koning Bela, de zoon van Beor (niet te verwarren met Balak, die Israël wilde vervloeken). In totaal worden er negentien heersers vermeld.
In hoofdstuk twee krijgt de familie van Juda extra aandacht. Het is geen strikt lineaire lijn van vader op zoon; er worden uitstapjes gemaakt naar broers, zussen en schoonfamilie om de politieke verhoudingen weer te geven. Zo kreeg Davids zus een zoon van de Ismaëliet Jether. Deze zoon, Amasa, werd later een bendeleider onder Absalom. Na de dood van Absalom stelde David deze man – zijn eigen neef – zelfs aan als legerleider.
Davids lijn wordt in deze geslachtsregisters sterk benadrukt; hij is de koning die alles met elkaar verbindt. Later wordt deze lijn doorgetrokken naar Jezus Christus, de Zoon van David. Het toont Gods plan door de wereldgeschiedenis. Ook al raken we verward door de warboel van namen: God komt tot Zijn doel, ook met deze wereld.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten