Lees Jozua 7, 8 en 9
Jericho is overwonnen en nu bereidt het volk zich voor om een klein plaatsje van zo’n 12.000 inwoners aan te vallen. Hoewel er 3.000 soldaten op uittrekken, worden zij toch verslagen. God is niet langer in hun midden. Het blijkt dat Achan, uit de stam Juda, bezittingen uit de buit voor zichzelf heeft gehouden, terwijl alles verbrand had moeten worden of – in het geval van goud en zilver – bestemd was voor de HEERE. Door zijn hebzucht sterft zijn hele familie.
Wanneer de zonde is weggedaan, keert God terug in hun midden en wordt het stadje (Ai) door middel van een list overwonnen. Alle inwoners sterven, maar ditmaal mogen de soldaten de buit wel voor zichzelf houden.
Vervolgens komen de Gibeonieten met een list en leugen dat ze komen uit een ver afgelegen land.
"Jozua en zijn mannen proefden van hun brood. Zij namen niet de moeite het aan de Here te vragen, maar gingen hun eigen gang en sloten een vredesverdrag met hen. De leiders van Israël bezegelden de overeenkomst met een eed.
Zij sluiten een overeenkomst met Israël, dat zonder God te raadplegen gelooft dat dit volk van ver komt. De volken van Kanaän weten van de opdracht dat de Israëlieten iedere inwoner van Kanaän moeten doden.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten