Lees Leviticus 7, 8 en 9
"Laten wij dan naar Hem toe gaan, buiten de stad en dezelfde schande dragen die Hij gedragen heeft. Wij horen immers niet in deze wereld thuis, wij kijken uit naar de toekomstige stad. Met de hulp van Jezus zullen wij God altijd blijven eren, en ons offer aan God is dat wij openlijk voor Jezus uitkomen. Wees goed voor anderen en deel uw bezit met hen, want dat zijn offers die God waardeert." (Hebr.13:13-16, HTB)
Het vlees van de offers behoort de Heer toe. De zond- en schuldoffers waren het allerheiligst; daarvan mochten alleen de priesters binnen de tent van ontmoeting eten.
De vredeoffers bestonden uit drie soorten: het lofoffer, het gelofteoffer en het vrijwillige offer. Hier worden, net als bij de dank- en zondoffers, alleen het vet en de nieren verbrand en het bloed uitgegoten.
De rest mocht worden gegeten. Het lofoffer was voor de priesters, die het dezelfde dag moesten nuttigen. Van al deze vredeoffers waren de borst en de rechterschenkel voor de priester die het offer bracht.
Het gelofteoffer en het vrijwillige offer mochten ook door de offeraars zelf gegeten worden, mits zij rein waren. Voor dit vlees gold dat het binnen twee dagen gegeten moest worden; op de derde dag moest het restant worden verbrand.
Alle vredeoffers moesten gebracht worden met een graanoffer, ook wel spijsoffer genoemd. Dit is het offer waar geen bloed bij kwam kijken; het bestond uit meel, olie, wierook en zout, vanwege het zoutverbond: 'Mijn loyaliteit en mijn verbond met God zijn blijvend en bederven niet.'
Aäron en zijn zonen worden tot priester gewijd en de tent en alle voorwerpen worden met zalfolie geheiligd. Daarna worden de voorgeschreven offers gebracht. Zeven dagen doen de priesters dienst. Op de achtste dag antwoordt God uit de hemel:
'Mozes nu en Aäron gingen in de tent der samenkomst, en toen zij er weer uitkwamen, zegenden zij het volk, en de heerlijkheid des Heren verscheen aan het gehele volk. En er ging vuur uit van de Here en dit verteerde op het altaar het brandoffer en de vetstukken; toen het volk dat zag, juichten allen en wierpen zich op hun aangezicht.'
De offers van toen zijn de gebeden van vandaag: gebeden van lof en aanbidding om wie God is en wat Hij heeft gedaan; schuldbelijdenis om rein voor God te staan op grond van het verzoenend werk van Christus; voorbeden en smeekgebeden voor onze naasten en onszelf; en natuurlijk dankgebeden, omdat we onder alle omstandigheden mogen danken. Of in het kort het is een leven van aanbidding.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten