Lees Psalm 6, 7, 8 en 9
David beseft hoe rechtvaardig God is. Hij weet dat God eerlijk zal oordelen, ook over hemzelf. Daarom schrijft hij de eerste van de zeven boetepsalmen.
De goddelozen staan hier niet bij stil; zij onderdrukken de armen en ellendigen, in de veronderstelling dat er geen God is. God ziet het niet en zij zien God niet. Ze willen er niet eens over nadenken.
"Want de goddeloze beroemt zich over zijn hartenwens; hij zegent de hebzuchtige, hij lastert de HEERE. De goddeloze, met zijn neus trots omhoog, onderzoekt niet. Al zijn gedachten zijn: Er is geen God!"
Wanneer David Gods wonderbaarlijke werken ziet, trekt hij de conclusie dat Hij wel móét bestaan. Hij ziet God als de Schepper die de mens bijna goddelijk heeft gemaakt en hem het vermogen heeft gegeven om te zien, te horen en te denken. Zo hoort en ziet God ook wat er op aarde gebeurt. Hij zal eerlijk oordelen en een toevlucht zijn voor hen die lijden onder de daden van goddelozen.
"Ú ziet het wél, want U aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geeft; op Ú verlaat de arme zich, U bent geweest een Helper van de wees."
God is genadig en barmhartig dat is Davids hoop en vaste grond. Wij mogen weten dat God zichzelf heeft laten zien in Zijn Zoon. De onzichtbare is zichtbaar geworden. Zie jij Hem?

Geen opmerkingen:
Een reactie posten