Lees Jozua 19, 20 en 21
Onder alle stammen en door het hele land krijgen de Levieten steden toegewezen als woonplaats, inclusief de omliggende weidegrond. In totaal staan de stammen 48 steden af.
Daaronder bevinden zich ook de vrijsteden: plaatsen waar iemand die onopzettelijk een ander heeft gedood, een veilig heenkomen kan zoeken tegen bloedwraak. Dit waren zes steden. Drie aanvoerders de oostkant van de Jordaan en drie aanvoerders de westkant. (Bezer, Ramot, Golan en Kadesh, Sichem en Hebron)
Hebron, de stad van Kaleb.
"Jozua zegende hem toen en gaf hem [Kaleb] Hebron als een eeuwig erfdeel, omdat hij de Here, de God van Israël, volkomen trouw was gebleven. Vóór die tijd werd Hebron Kirjat-Arba genoemd, naar een beroemde held van de Enakieten. Toen was de strijd voorbij en kwam er rust in het land."
En toch lees je dan dit:
"De eersten die hun toewijzing kregen, waren de priesters, de nakomelingen van Aäron die deel uitmaakten van de Kehatieten. De stammen van Juda en Simeon gaven hun de volgende negen steden met de omringende weidegrond: de vrijstad Hebron in het bergland van Juda—ook wel Kirjat-Arba genoemd—maar het akkerland rond de stad en de omringende dorpen werden aan Kaleb gegeven."
Kaleb deelt zijn erfdeel. De man van groot geloof, deelde zijn kostbare erfdeel dus met de dienaren van God. Hebron betekent in het Hebreeuws zelfs 'verbinding' of 'vriend', wat deze gedeelde woonplaats extra symbolisch maakt.
De Here gaf de Israëlieten al het land, dat Hij hun voorouders had beloofd. Zij kwamen het land binnen, veroverden het en gingen er wonen. De Here gaf hun vrede, zoals Hij had beloofd. Niemand kon het tegen hen opnemen, de Here hielp hen al hun vijanden te verslaan. Alle beloften die de Here aan het volk Israël had gedaan, werden vervuld.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten