Lees Jozua 16, 17 en 18
Israël moet de volken van Kanaän verdrijven, maar soms lukt dat niet en blijven zij in hun steden wonen. De Kanaänieten die onder de Israëlieten blijven wonen, worden echter tot dwangarbeid (of herendienst) verplicht.
Zeven stammen hebben nog geen land ontvangen, en Jozua roept hen op om het land in bezit te nemen. Er worden opnieuw verkenners (drie per stam) uitgezonden om het resterende gebied nauwkeurig in zeven delen te beschrijven. Dit land wordt vervolgens door loting aan de overgebleven stammen toegewezen.
In het midden van Israël, in het kamp bij Silo (wat 'rust' of 'vredevorst' betekent, zie ook Gen. 49:10), wordt de tabernakel opgericht. Midden in het land doet God Zijn Naam wonen, als een voorafschaduwing van hoe het eens volmaakt zal zijn.
Deze aardse verdeling van het land en de rust in Silo wijzen vooruit naar de volmaakte rust die Jezus Christus (de 'ware Jozua') schenkt aan allen die in Hem geloven, en naar de dag waarop God voor altijd bij de mensen zal wonen.
"Ik hoorde een luide stem vanaf de troon zeggen: ‘Gods woonplaats is nu bij de mensen, Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn en Hij zal Zelf bij hen zijn. Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen. Er zal geen dood meer zijn, geen verdriet, geen rouw of pijn, want die dingen horen bij de oude wereld die voorbij is.’ Hij die op de troon zat, zei: ‘Ik maak alles nieuw.’ En Hij zei tegen mij: ‘Schrijf het allemaal op, want wat Ik zeg, is waar en betrouwbaar. Het heeft zich allemaal voltrokken. Ik ben de Alfa en de Omega, het begin en het einde. Wie dorst heeft, zal Ik water geven uit de bron die leven geeft, voor niets. Wie overwinnen, krijgen dit van Mij. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn kinderen zijn." (Openbaringen 21:3-7, HTB)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten