Lees 1 Samuël 17, 18 en 19
Gedurende veertig dagen sart Goliath het leger van Saul, maar niemand durft de strijd met hem aan. Terwijl zijn drie oudere broers in het leger dienen, stuurt vader Isaï David naar het front met geroosterd koren, broden en kazen om te zien hoe het met hen gaat. Wanneer David hoort hoe Goliath het leger bespot, kan hij dit niet verdragen. Overal verkondigt hij dat men deze man met de kracht van God eenvoudig kan verslaan. Zijn broers beschuldigen hem ervan dat hij het leger op zit te jutten omdat hij een spectaculair gevecht wil zien.
"En deze hele gemeente zal weten dat de HEERE niet door zwaard of door speer verlost, want de strijd is van de HEERE."
Wanneer Saul over Davids woorden hoort, beseft hij dat David zelf wil vechten, vol vertrouwen dat God aan zijn zijde staat. Saul biedt hem zijn eigen wapenrusting aan, maar David kan zich hierin niet vrij bewegen. Met enkel zijn staf en een slinger treedt hij de reus tegemoet. Hij doodt Goliath met een steen en treedt zo officieel toe tot het leger van Saul.
Menselijke wapenrusting pastte hem niet. Hij trok de Gods wapenrusting (Efeze6) aan. Vol vertrouwen in Zijn kracht.
Helaas slaat Sauls bewondering al snel om in jaloezie, zo erg zelfs dat hij David wil doden. Hij probeert David door de Filistijnen te laten ombrengen door hem een schijnbaar onmogelijke opdracht te geven: het doden van honderd Filistijnen in ruil voor de hand van zijn dochter. David doodt er echter tweemaal zoveel. Omdat de oudste dochter, Merab, inmiddels aan een ander is weggegeven, trouwt David met de jongste dochter, Michal.
Dit was niet Sauls bedoeling en hij probeert David nu openlijk te doden. Zijn vrouw Michal helpt hem echter te vluchten, waarna hij naar Samuël in Rama gaat. Saul stuurt tot drie keer toe boden achter hem aan, maar zij kunnen hem niets doen omdat de Geest van God over hen komt. Als Saul uiteindelijk zelf naar Rama gaat, overkomt hem hetzelfde; hij raakt in vervoering en ligt een dag en een nacht lang profeterend voor Samuël op de grond.
Saul vecht tegen God. Hij houdt krampachtig vast aan de positie die hij van Hem kreeg, ook al heeft God die allang aan David geschonken. Is jaloezie in de kern niet het de ander niet gunnen van wat God hem heeft toebedeeld?
Vertrouw erop dat God je in elke situatie precies geeft wat je nodig hebt. Soms is één steentje al genoeg.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten