Lees Deuteronomium 24, 25 en 26
"Om de onderdrukking der ellendigen, het zuchten der armen, maak Ik Mij thans op, zegt de Here; Ik stel in veiligheid wie daarnaar smacht." (Psalm 12:6, NBG51)
God kent de mens. Hij weet wat er in het menselijk hart leeft en dat de meeste overwegingen boos en egoïstisch zijn. Mensen zoeken meestal hun eigen geluk en hebben vaak geen oog voor de ander.De wetten die in deze hoofdstukken worden besproken, zijn vooral bedoeld om de kwetsbaren te beschermen: de arme, de vreemdeling, de wees en de weduwe. Ook de positie van de vrouw wordt gewaarborgd. Aan een volksgenoot mag geen rente worden gevraagd en het onderpand van een arme moet voor zonsondergang worden teruggegeven. Je mag bovendien geen onderpand nemen dat de ander nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien. Een dagloner moet je nog dezelfde dag zijn loon uitbetalen, vóór zonsondergang; hij is immers arm en rekent erop. Doe je dit niet, dan zal hij de Heer over jou aanroepen en zal het je als zonde worden aangerekend.
De Israëlieten moeten in gedachten houden dat zij zelf ook vreemdelingen waren. God wil dat mensen zich in een ander kunnen inleven en hen liefhebben zoals Hij liefheeft. Hij waarschuwt om niet te worden als het volk van Amalek. Dat volk had geen ontzag voor God en viel de achterhoede aan: precies de mensen die moe, zwak en uitgeput waren.
God wil dat we in dankbaarheid leven en niet de eerste vruchten direct voor onszelf opeisen. Geef wat je ontvangt eerst aan God; het behoort Hem toe. Besef dat je leeft uit genade en word steeds meer gevormd naar het beeld van de Vader, die oog heeft voor de nederigen.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten