Lees Numeri 13, 14 en 15
God leidt het volk naar het Beloofde Land en van elke stam mag één man het land gaan verkennen. In veertig dagen doorkruisen de twaalf mannen het gebied. Het land vloeit werkelijk over van melk en honing, maar... de inwoners zijn machtig en groot. Volgens tien verspieders is het een land dat zijn inwoners verslindt en is het onmogelijk om hen te verslaan.
Kaleb en Jozua zijn geschokt. Natuurlijk kunnen ze met Gods hulp de volken overwinnen: "Alleen, kom tegen de HEERE niet in opstand; en u, wees niet bevreesd voor de bevolking van het land, want zij zijn ons tot voedsel. Hun bescherming is van hen geweken en de HEERE is met ons. Wees niet bevreesd voor hen!"
Het volk begint te jammeren. Waren ze maar in Egypte gebleven! Ze willen een nieuwe leider aanstellen om hen terug te brengen en overwegen zelfs om Kaleb en Jozua te stenigen. Maar God grijpt in en verschijnt. God wil het volk straffen, maar Mozes herinnert God aan Zijn Naam: dat de HEERE geduldig is en rijk aan goedertierenheid, dat Hij ongerechtigheid vergeeft, maar de schuldige niet ongestraft laat.
De volwassenen sterven niet meteen, maar moeten veertig jaar in de woestijn blijven tot de hele generatie is overleden. Alleen hun kinderen, Kaleb en Jozua mogen uiteindelijk het Beloofde Land binnengaan.
Hoe gaan wij om met problemen die te groot voor ons lijken? De reuzen in ons leven.?
Laten onze problemen ons niet verslinden, maar laat ze ons tot voedsel dienen, waardoor we onze Hemelse Vader beter mogen kennen. Juist in onze zwakheid mogen we Gods nabijheid en kracht ervaren.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten