Lees Deuteronomium 5, 6 en 7
"Och, hadden zij maar zo'n hart, om Mij te vrezen en Mijn geboden alle dagen in acht te nemen, opdat het hun en hun kinderen voor eeuwig goed zou gaan!" (5:29, HSV)
Nog één keer herhaalt Mozes de Tien Geboden. Hier wordt de sabbat niet gekoppeld aan de zevende dag van de schepping, maar aan het feit dat God hen verloste uit Egypte, uit de slavernij.
De wet wordt samengevat in het 'Shema', de geloofsbelijdenis die begint met het woord 'Hoor': "Luister Israël, de HEERE, onze God, de HEERE is één! Daarom zult u de HEERE, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht." (6:4-5). In het Nieuwe Testament wordt hieraan Leviticus 19:18 toegevoegd: "en uw naaste als uzelf" (Lucas 10:27).
(De Israëlieten moeten hun kinderen deze geboden inprenten. Dit had tot gevolg dat in Israël, in tegenstelling tot bij andere volken, zowel jongens als meisjes al vroeg onderwijs kregen en geletterd waren.)
Hoewel de wet vraagt om liefde, is de mens van nature op zichzelf gericht. In de tijd van Mozes werd de wet nog van buitenaf opgelegd, maar eens zullen de geboden door de Heilige Geest in het hart geplant worden.
God zal zeven grote volken voor Israël verdrijven. Niet omdat het volk zelf zo groot of goed is, maar uit liefde en vanwege het verbond met hun vader Abraham. Zij mogen uit genade Zijn overvloed ontvangen.
"Niet omdat u groter was dan al de andere volken heeft de HEERE liefde voor u opgevat en u uitgekozen, want u was het kleinste van al de volken. Maar vanwege de liefde van de HEERE voor u, en om de eed die Hij uw vaderen gezworen had, in acht te houden, heeft de HEERE u met sterke hand uitgeleid en heeft Hij u verlost uit het slavenhuis, uit de hand van de farao, de koning van Egypte."(7:7-8, HSV)
God waarschuwt om niet de goden en gebruiken van de volken over te nemen. God zal zelf de volken geleidelijk voor hen verdrijven, zodat het land geen woestenij wordt. Niets en niemand zal voor hen kunnen standhouden.
Wij kunnen God niet naderen omdat wij zo goed zijn maar omdat God zo goed en genadig is.
In hoeverre is het geloof jouw verdienste?






