Lees Richteren 10, 11 en 12
Al driehonderd jaar woont een deel van Israël aan de oostzijde van de Jordaan. Inmiddels is het volk God echter vergeten en dient het de afgoden van de omringende volken. Wanneer de Ammonieten en de Filistijnen optrekken tegen de Israëlieten die in het voormalige gebied van de Amorieten wonen, claimen de aanvallers dat dit hun land is. Dit is onterecht, aangezien Israël destijds op bevel van God de gebieden van Edom en Moab juist links heeft laten liggen.
In hun nood roepen de zonen van Gilead hun verstoten bastaardbroer, Jefta, uit tot hun leider. Omdat het volk zich bekeert van de afgoden, schenkt God Zijn Geest aan Jefta, die vervolgens de Ammonieten overwint. Jefta meent echter dat hij God gunstig moet stemmen met een onbezonnen gelofte: hij belooft het eerste dat hem bij thuiskomst uit zijn huis tegemoet komt, als brandoffer aan God te schenken.
Na de overwinning blijkt zijn eigen dochter de eerste te zijn die naar buiten komt. Hoewel God nooit om een dergelijk offer heeft gevraagd en mensenoffers in Israël strikt verboden waren, voelt Jefta zich gebonden om zijn woord te houden. Dit roept de vraag op in hoeverre Jefta werkelijk bekeerd was.
Of hield Jefta zich wel degelijk aan Gods wetten en gaf hij zijn dochter als gelofteoffer aan de tempeldienst, waardoor er geen sprake meer zou zijn van nageslacht?
Jefta had simpelweg de wet uit Leviticus 27:4 kunnen toepassen. Als hij de Thora had gekend, had hij zijn dochter voor dertig sikkels zilver kunnen vrijkopen. Hiervoor was deze wet juist bedoeld.
Heb jij wel eens het idee dat je God gunstig moet stemmen om iets te ontvangen of vertrouw je op Zijn liefdevolle goedheid en genade?
Religie of relatie?

Geen opmerkingen:
Een reactie posten