woensdag 31 januari 2024

31. Jeremia, gerechtigheid

Jeremia was voor de mensen uit Jeruzalem een irritante onheilsprofeet. Hij moest het volk waarschuwen dat ze zich moesten bekeren anders zou de stad verwoest worden en iedereen die het zou overleven zou in ballingschap gaan. Maar de mensen geloofden liever de andere 'profeten' die vertelden dat er niks zou gebeuren. Jeremia maakt de invallen van het Babylonische leger mee, het bloedbad en de deportatie. Jeruzalem en de tempel worden verwoest. Toch laat God het volk niet in de steek. Zeventig jaar zullen ze onderworpen worden en daarna zal de slavernij voorbij zijn en zullen ze terugkeren naar hun vaderland. Ze moeten werken voor de vrede en de welvaart van de stad waarheen ze verbannen worden. Ondanks hun ballingschap heeft de Here het goede met hen voor. God straft, opdat ze zich weer tot Hem zouden keren. Hij houdt van hen als een zoon, zijn liefste kind. God verlangt ernaar om Israël genadig te zijn. God houdt van hen met een eeuwigdurende liefde. God belooft een nieuwe tijd en Jeremia spreekt ook over de Verlosser, die komt:


"Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik voor ​David​ een rechtvaardige SPRUIT zal doen opstaan. Hij zal als ​Koning​ regeren en verstandig handelen, Hij zal recht en ​gerechtigheid​ doen op de aarde. In Zijn dagen zal Juda verlost worden en Israël onbezorgd wonen. Dit zal Zijn Naam zijn waarmee men Hem noemen zal: DE HEERE ONZE ​GERECHTIGHEID." (Jeremia 23: 5, 6)
En nog eens

"In die dagen en in die tijd zal Ik voor ​David​ een SPRUIT van ​gerechtigheid​ doen opkomen. Hij zal recht en ​gerechtigheid​ doen op aarde. In die dagen zal Juda verlost worden en zal ​Jeruzalem​ onbezorgd wonen. Dit is hoe men de stad noemen zal: DE HEERE ONZE ​GERECHTIGHEID." , (Jeremia 33: 15, 16)

"Want op die dag zal het geschieden, spreekt de HEERE van de legermachten, dat Ik zijn ​juk​ van uw nek zal breken en uw banden zal verscheuren. Vreemden zullen zich niet meer door hem laten dienen, maar zij zullen de HEERE, hun God, dienen, en hun ​Koning​ ​David, Die Ik hun zal doen opstaan....Ik zal hen tot aanzien brengen, ze zullen niet veracht worden. Zijn zonen zullen zijn als vanouds, en zijn ​gemeente​ zal voor Mijn aangezicht bevestigd worden. Ik zal al zijn onderdrukkers straffen. Zijn Machtige zal één van hem zijn, zijn Heerser zal uit zijn midden voortkomen. Ik zal Hem naderbij doen komen, en Hij zal tot Mij naderen. Want wie is hij die met zijn ​hart​ borg wordt om tot Mij te naderen? – spreekt de HEERE. En u zult Mij tot een volk zijn en Ík zal u tot een God zijn." (Jeremia 30)


Er komt een rechtvaardige Koning en God zal niet meer de wet van buitenaf op zijn volk leggen. Hij zal het hart van de mensen veranderen. God zal Zijn wetten, Zijn Liefde, in het hart van de mensen leggen. De mensen zullen dan werkelijk God kennen en liefhebben. God die het verlangen, het willen als het werken, in ons zal werken. Hijzelf zal de zonde en ongerechtigheden wegnemen.

"Voorzeker, dit is het ​verbond​ dat Ik na die dagen met het ​huis​ van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun ​hart​ schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid ​vergeven​ en aan hun ​zonde​ niet meer denken." (Jeremia 31)

God verlangt ernaar dat de mensen Hem werkelijk leren kennen. Hij is de levende alomtegenwoordige God, de eeuwige Koning, de Schepper van alles wat leeft. Barmhartig en goedertieren, die de aarde rechtvaardig regeren wil. Hij trekt ons met banden van liefde. God roept zijn volk. Keer toch weer terug naar mij.

dinsdag 30 januari 2024

30. Jona, Gods barmhartigheid

 De Assyriërs waren een zeer gewelddadig en genadeloos volk. Israël was zeer welvarend onder het bewind van de goddeloze koning Jerobeam de tweede. Ze veroverden steeds meer gebied maar er was steeds de dreiging dat Assyriërs aanvallen zouden uitvoeren vanuit het noorden. Tegen dit heidens volk, deze onbesnedenen, moest Jona profeteren dat God hun stad Ninevé zou gaan verwoesten. Omdat Jona bang was, dat de Assyriërs zich daadwerkelijk zouden bekeren en onder hun straf uit zouden komen, vertrekt hij in tegengestelde richting. Als Jona met een boot naar Tarsis probeert te vluchten steekt er een storm op. De scheepslieden komen tot de ontdekking dat Jona verantwoordelijk is voor dit onheil en gooien hem, met tegenzin, overboord. God laat hem opslokken door een grote vis. Drie dagen en drie nachten zit Jona in de vis. Jezus gebruikt deze geschiedenis van Jona als beeld van Zijn dood en opstanding.


"Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Een verdorven en overspelig geslacht verlangt een teken, maar het zal geen teken gegeven worden dan het teken van ​Jona, de ​profeet. Want zoals ​Jona​ drie dagen en drie nachten in de buik van de grote ​vis​ was, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het ​hart​ van de aarde zijn. De mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel samen met dit geslacht en zullen het veroordelen, want zij hebben zich bekeerd op de prediking van ​Jona; en zie, meer dan ​Jona​ is hier!" (Matth 12: 39)

Levend begraven en uit de diepten van de dood bidt Jona tot God en hij wordt gered. Dankbaar maar met grote tegenzin gaat hij naar Ninevé. Hij verkondigt de ondergang van Ninevé. Hij wordt serieus genomen en er wordt een groot vasten afgeroepen. De mensen bekeren zich. Ninevé wordt gered maar Jona is woedend.

 "Daarom ben ik het voor geweest door naar Tarsis te vluchten! Want ik wist dat U een genadig en barmhartig God bent, geduldig en rijk aan goedertierenheid, Die berouw heeft over het kwaad." (Jona 4:2)

Net als in de vorige blog is ook Jona bekend met "Gods genade-uitroep." God houdt van de wereld. Niet alleen van Israël Zijn uitverkoren volk maar ook van de grootste zondaren, wanneer zij zich bekeren vergeeft Hij hen hun zonden. God voelt medelijden met die grote stad met meer dan honderdtwintigduizend mensen, die zich nergens bewust van zijn (kinderen), en al die onschuldige dieren.

maandag 29 januari 2024

29. Joël, Gods genade-uitroep

 Ik zal  wondertekenen geven aan de hemel en op de aarde: bloed​ en vuur en rookzuilen. De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in ​bloed, voor die dag van de Here komt, die grote en ontzagwekkende. Het zal geschieden dat ieder die de Naam van de Here zal aanroepen, behouden zal worden. Want op de berg ​Sion​ en in ​Jeruzalem​ zal ontkoming zijn, zoals de Here gezegd heeft, namelijk bij hen die ontkomen zijn, die de Here roepen zal." (Joël 2)

De profeet Joël profeteert over grote rampen die het land bedreigen en roept op om oprecht berouw te tonen. Joël zegt dat God genadig en barmhartig is, geduldig en rijk aan goedertierenheid. Deze beschrijving van God komt van God zelf. God roept dit uit als Hij zichzelf toont aan Mozes op de berg Horeb (Exodus 34:6) Joël profeteert over de nabije toekomst maar ook over de verre toekomst. God is niet uit op vernietiging maar op berouw en bekering. Hij geeft de mensen alle kansen om tot Hem te komen. Hij wil niet dat mensen verloren gaan. Ook Paulus haalt Joël aan dat ieder die Hem aanroept behouden zal worden. Dat is genade. 

Dicht bij u is het Woord, in uw mond en in uw ​hart. Dit is het Woord van het geloof, dat wij prediken:
Als u met uw mond de Heere ​Jezus​ belijdt en met uw ​hart​ gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u zalig worden. Want met het ​hart​ gelooft men tot ​gerechtigheid​ en met de mond belijdt men tot zaligheid. Want de Schrift zegt: Ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. Er is immers geen enkel onderscheid tussen ​Jood​ en Griek. Want Een en dezelfde is Heere van allen en Hij is rijk voor allen die Hem aanroepen. "Want ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zal behouden worden." (Romeinen 10)

Ook staat nog een stukje over de verre toekomst. "Daarna zal het geschieden dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees: uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw ouderen zullen dromen dromen, uw jongemannen zullen visioenen zien. Ja,  zelfs op de dienaren en op de dienaressen zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten. Dit gedeelte wordt door Petrus aangehaald na de uitstorting van de Heilige Geest. (Handelingen 2:16) God zelf wil niet alleen redden. Hij wil in ons een heel nieuw leven geven en ons van binnenuit veranderen, zodat wij Hem werkelijk kennen en volgen. Hij schept ons naar Zijn beeld. Hij roept tot ons, Kom, en wij mogen Hem aanroepen en komen.

zondag 28 januari 2024

28. Jesaja, de Messias

 Jesaja is echt een troostboek. De profetieën geven zicht op een hoopvolle toekomst. God zelf zal redding brengen en er zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen. God waarschuwt voor de ellende die Israël en de volken door hun zonden over zichzelf afroepen, maar Hij verkondigt daarbij ook de Redding. Er is hoop als zij zich bekeren. God laat zich kennen als een liefdevolle ouder die zijn kind niet vergeet. Al waren onze zonden als scharlaken ze zullen wit worden als sneeuw, al waren ze rood als karmozijn ze zullen worden als witte wol. De Heer zal het vuil afwassen en wegspoelen. Alleen door naar God terug te keren kunnen we worden gered; in rust en vertrouwen ligt onze kracht.

God belooft dat Hijzelf Zijn volk zal redden van hun zondige leven. God openbaart Zijn reddingsplan en dit reddingsplan wordt bijna tot in details beschreven. (Een maagd zal een kind krijgen en zij zal het kind Immanuël noemen, deze Zoon zal alle volken van de wereld echte rechtvaardigheid en vrede brengen, zal blinden de ogen openen, Hij zal onschuldig veroordeeld worden, Hij zal verhoogd worden, Hij zal in het graf van de rijke liggen, Hij zal opstaan uit de dood)

Niet alleen het volk Israël zal weer verzameld worden maar ook de andere volken zullen delen in Gods liefde en genade. Jesaja is ook het boek waar Jezus vaak uit citeerde.

Gods reddingsplan komt het duidelijkst naar voren in hoofdstuk 53 (het boek dat ook de kamerling uit Morenland las) Het lied van de Dienaar:

"Wie kan geloven wat wij hebben gehoord? Aan wie is de macht van de HEER geopenbaard? Als een loot schoot hij op onder Gods ogen, als een wortel die uitloopt in dorre grond. Onopvallend was zijn uiterlijk, hij miste iedere schoonheid, zijn aanblik kon ons niet bekoren. Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ​ziekte​ vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht, door ons verguisd en geminacht. Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam. Wij echter zagen hem als een verstoteling, door God geslagen en vernederd. Om onze ​zonden​ werd hij doorboordom onze ​wandaden​ gebroken. Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, zijn striemen brachten ons genezing. Wij dwaalden rond als schapen, ieder zocht zijn eigen weg; maar de ​wandaden​ van ons allen liet de HEER op hem neerkomen. Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet 
en deed zijn mond niet open. Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, 
als een ooi die stil is bij haar scheerders deed hij zijn mond niet open. 



Door een onrechtvaardig vonnis werd hij weggenomen. Wie van zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad? Hij werd verbannen uit het land der levenden, om de ​zonden​ van mijn volk werd hij geslagen. Hij kreeg een ​graf​ bij misdadigers, zijn laatste rustplaats was bij de rijken; toch had hij nooit enig ​onrecht​ begaannooit bedrieglijke taal gesproken. Maar de HEER wilde hem breken, hij maakte hem ​ziek. Hij offerde zijn leven voor hun schuldom zijn nageslacht te zien en lang te leven.En door zijn toedoen slaagde wat de HEER wilde. Na het lijden dat hij moest doorstaan, zag hij het licht en werd met kennis verzadigd. Mijn rechtvaardige dienaar verschaft velen recht, hij neemt hun ​wandaden​ op zich. Daarom ken ik hem een plaats toe onder velen en zal hij met machtigen delen in de buit, omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood en zich tot de zondaars liet rekenen. Hij droeg echter de schuld van velen en nam het voor zondaars op."

"En de kamerling antwoordde ​Filippus​ en zei: Ik vraag u, over wie zegt de ​profeet​ dit? Over zichzelf of over iemand anders? En ​Filippus​ deed zijn mond open en, uitgaande van dat Schriftwoord, verkondigde hij hem ​Jezus." (Handelingen 8)

Terwijl ik dit stukje zat te schrijven kwam ik erachter dat dit hoofdstuk  uit Jesaja bijna nooit door Joden wordt gelezen. Wekelijks bij de afsluiting van de Shabbat wordt er gelezen uit de profeten, de haftara. De haftara is wereldwijde leeskalender en blijft van jaar tot jaar hetzelfde. Elk jaar lezen ze dezelfde hoofdstukken maar heel bijzonder... Jesaja 53 wordt overgeslagen. Juist het hoofdstuk dat zo duidelijk naar Jezus wijst. Heel veel Joden hebben dit hoofdstuk dus nog nooit gelezen. De video hieronder laat de reacties zien als uit dit 'verboden' hoofdstuk wordt gelezen. Dit hoofdstuk uit Jesaja is te confronterend. Het is voor Joden een te grote stap om over Jezus na te denken.




zaterdag 27 januari 2024

27 Amos, Gods oordeel

 "Want, zie, Hij Die de bergen vormt, Die de wind schept en Die aan de mens bekendmaakt wat zijn gedachten zijn, Die de dageraad tot duisternis maakt, en Die op de hoogten van de aarde treedt; HEERE, God van de legermachten, is Zijn Naam." (Amos 4)


In 40dagen probeer ik het hele oude testament te lezen. Maar des te meer ik hierin lees des te meer ik onder de indruk kom van Gods grootheid, Gods heiligheid. Hoe is het eigenlijk mogelijk dat wij in de buurt van zo'n ontzagwekkend God kunnen komen. Denken wij niet veel te makkelijk over God en leven we niet te gemakkelijk met de gedachte dat alles wel goed komt. Ja, natuurlijk komt het goed, want God heeft het goedgemaakt, maar we moeten er niet te makkelijk over denken.

Mij is geleerd dat de vreze des Heren inhoudt dat je ontzag moet hebben voor God. Maar als ik het oude testament lees dan heeft de vreze des Heren ook werkelijk met angst te maken. In God nabijheid kunnen wij niet eens komen, dat overleven wij niet en toch wil God bij ons zijn. God wil een relatie. Hij wil in ons leven en daarom kon alleen Hij ons redden. Het heeft God alles gekost om ons te redden. Zijn liefde en barmhartigheid zijn groter dan de dood.

 "Laat het recht als water golven, en ​gerechtigheid​ als een immer vloeiende beek."
(Amos 5:24)

Toch is het niet de bedoeling dat we nu achterover gaan zitten en onze tijd uitzitten. God wil dat we met Hem gaan leven, dat Hij in ons zichtbaar wordt. Wij zijn beelddragers van Hem en dat betekent dat we ons oude leven kruisigen. Dat we geheel anders mogen zijn dan deze wereld. We hoeven het niet in eigen kracht te doen. Elke dag geeft Hij genoeg.

De profeet Amos (drager van lasten) kondigt het oordeel aan. Hij is een gewone veeboer en is door God geroepen om te profeteren. Door hem klaagt God de mensen aan. De zucht naar geld en roem gaat ten koste van arme mensen en dus van God zelf. Hun gewelddadige praktijken, afgoderij en onrechtvaardig winstbejag gaan alle perken te buiten. Rijken vertrappen de armen en de zachtmoedigen worden weggejaagd. Er komt een afrekening.

"Wee hun die verlangend uitzien naar de dag van de Here! Wat zal voor u die dag van de Here zijn? Duisternis zal hij zijn en geen licht!" God zal straffen en het volk zal gaan hongeren en dorsten naar Gods woorden. Toch eindigt dit oordeel met een heilsbelofte. "Op die dag zal Ik oprichten de vervallen hut van ​David. Zijn scheuren zal Ik dichtmaken, en wat aan hem is afgebroken, zal Ik oprichten, Ik zal hem opbouwen als in de dagen van oude tijden af."
Ook in het Nieuwe Testament wordt profeet Amos aangehaald in de lange toespraak van Stefanus. Vlak voordat hij gestenigd werd. Stefanus beschuldigde de godsdienstige leiders dat er nog niks was veranderd. Schijnheilig is hun godsdienst. En wij? Laten wij ons leven leiden door God Geest of door onze eigen verlangens.

 "Hierin is de ​liefde​ bij ons volmaakt geworden, opdat wij vrijmoedigheid mogen hebben op de dag van het oordeel. Want zoals Hij is, zijn ook wij in deze wereld. Er is in de ​liefde​ geen vrees, maar de volmaakte ​liefde​ drijft de vrees uit. De vrees houdt immers straf in, en wie vreest, is niet volmaakt in de ​liefde." (1 Joh 4:17, 18)

vrijdag 26 januari 2024

26. Hosea, Gods hartsverlangen

 "Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen." (Marcus 10:45)


"wandel dan in de vreze des Heeren, gedurende de tijd van uw ​vreemdelingschap, in de wetenschap dat u niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, vrijgekocht bent van uw zinloze levenswandel, die u door de vaderen overgeleverd is, maar met het kostbaar bloed van ​Christus, als van een smetteloos en onbevlekt Lam." (1 Petr 1:17)


In geen ander boek uit de Bijbel laat God Zijn hart zo spreken. Het boek van profeet Hosea (Redding) openbaart God zich als een trouwe liefdevolle echtgenoot, die te maken heeft met een ontrouwe overspelige vrouw. Als beeld hiervan moet profeet Hosea trouwen met Gomer. Haar kinderen krijgen namen met een goddelijke boodschap. Jizreel (God zaait), Lo-Ruchama (Geen medelijden) en Lo-Amni (geen volk). Namen die laten zien wat er gaat gebeuren met het volk van God....maar er komt een keer in het lot van Juda en Israël. God zal Zijn volk weer uitzaaien in een vruchtbaar land als kinderen van de Levende God.

"Toch zal het aantal Israëlieten zijn als het zand van de zee, dat niet gemeten en niet geteld kan worden. En het zal gebeuren dat in de plaats waar tegen hen gezegd is: U bent niet Mijn volk, tegen hen gezegd zal worden: ​Kinderen​ van de levende God. Dan zullen de Judeeërs bijeengebracht worden samen met de Israëlieten. Zij zullen voor zich één Hoofd aanstellen en uit het land oprukken; want groot zal de dag van Jizreël zijn. Zeg tegen uw broeders: Ammi, en tegen uw zusters: Ruchama."(Hosea 1:10)

Het boek Hosea laat Gods voortdurende en volhardende liefde zien. Hij achtervolgt ons met zijn liefde zoals Hosea achter de overspelige en weggelopen Gomer aan moest gaan en haar moest terugkopen uit de slavernij voor 15 zilverstukken.

"Ga opnieuw, bemin een vrouw die bemind wordt door een ander en ​overspel​ pleegt, zoals de Here de Israëlieten bemint, hoewel zij zich wenden tot ​andere ​goden​."

Ook in het nieuwe testament staat iets soortgelijks in 1 Korintiers 7:22
 "Gij zijt gekocht en betaald. Weest geen ​slaven​ van mensen."
Het overspelige volk zal door God zelf teruggekocht worden. De Israëlieten zullen zich bekeren, en de Here, hun God, zoeken en ​David, hun ​koning (Messias). Zij zullen zich in diep ​ontzag​ tot de Here wenden en Zijn zegeningen ervaren. Dit alles zal pas plaatsvinden in de eindtijd. 

"Daarom, zie, Ikzelf ga haar lokken, naar de woestijn in leiden, en naar haar ​hart​ spreken. Ik zal haar daarvandaan haar wijngaarden geven,en het Dal van Achor tot een deur van hoop. Daar zal zij zingen als in de dagen van haar jeugd, als op de dag dat zij wegtrok uit het land ​Egypte. Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE, dat u Mij zult noemen: mijn Man, en Mij niet meer zult noemen: mijn meester ​Baäl!" (Hosea 2)

God verlangt niet naar een machtsrelatie zoals mensen dat hebben met hun afgoden, die vanalles van je eisen. Om te ontvangen wat hun ik-gerichte hart ingeeft. Een relatie waar alles draait om verdienen. Een relatie om er alleen zelf beter van te worden. God verlangt naar een relatie uit oprechte liefde. God wil ​liefde, geen ​offers. Dat we met Hem vertrouwd zijn is meer waard dan enig ​offer. God is het die alles heeft geschapen en ons alles wil geven. Hij verlangt ernaar dat we ons leven laten leiden door Zijn liefde en rechtvaardigheid.

"Keer voorgoed terug naar die God. Laat je leiden door ​liefde​ en recht. 
Blijf voortdurend hopen op je God." (Hosea 11:7)

Losgeld
Zijn leven
De dienende Mensenzoon
Hij gaf Zijn leven
Vrijgekocht


donderdag 25 januari 2024

25. Micha, Bethlehem

 Tijdens de regering van de verschillende koningen over Juda en Israël staan verschillende profeten op. Zij waarschuwen dat het volk de verkeerde kant op gaat. Gods liefde wil de mens behoeden tegen het kwaad maar de mens mag zelf kiezen. Zegen of vloek. Echte liefde kan niet afgedwongen worden. Zijn hart breekt als hij de mens ten onder ziet gaan.


God is liefde, maar God haat de allesvernietigende zonde. De mens, die alleen maar om zijn eigen ik draait en verslaafd is aan de vervulling van zijn lusten en verlangens ten koste van anderen. God wil ons hiervan bevrijden en dat kan alleen als ons middelpunt gevuld wordt met God zelf. Met Zijn liefde en vrede.

Micha leefde in de tijd van koning Jotham, Achaz en Hizkia. Hij was tijdgenoot van Jesaja en Hosea. Hij waarschuwt Juda om de afgoderij van Israël niet na te volgen. Hij wil dat ze stoppen met afgoderij, waarbij zelfs tempelprostitutie plaatsvindt en kinderen worden geofferd om het goede af te dwingen, van een god die niet eens bestaat. God waarschuwt dat ze moeten stoppen met het onderdrukken en afpersen van de weduwe en de wezen. De leiders en priesters nemen steekpenningen aan en maken krom wat recht is. Niemand was meer te vertrouwen. Het land is door en door rot en het oordeel staat voor de deur. Babel zal het volk in ballingschap wegvoeren.

"Sta op! Wegwezen! Dit is niet langer uw land, want u hebt het met uw zonden gevuld en daarom zal het u uitbraken, u op een vreselijke wijze omkomen." (Micha 2:10) Maar twee verzen verder geeft God ook hoop. "Voorzeker zal Ik u, o ​Jakob, in uw geheel bijeenbrengen, voorzeker vergaderen het overblijfsel van Israël. Ik zal hen bijeenbrengen als schapen in een kooi, als een kudde in het midden der weide. Het zal er gonzen van mensen. "
Het volk zal weer worden bevrijd en de Here zal het volk van alle vijanden verlossen. Micha spreekt over de komende Messias, die de wereld in recht en gerechtigheid regeren zal en er zal werkelijke vrede zijn. In Micha wordt zijn komst voorspeld.

"Bethlehem in Efrata, u bent een van de kleinste steden in Juda, maar toch zult u de geboorteplaats zijn van onze koning van wie de oorsprong in lang vervlogen tijden ligt. God zal zijn volk prijsgeven aan hun vijanden, maar alleen totdat zij die zwanger is een kind ter wereld heeft gebracht. Dan zullen de overgebleven ballingen van Juda met hun broeders uit Israël terugkeren naar hun eigen land.  Hij zal zijn kudde weiden in de kracht van de Here, in de majesteit van de Here, zijn God. Zijn volk zal daar rustig wonen, want Hij zal heersen over de hele wereld."

"Mijn vijandin zal dat zien. Schaamte zal haar bedekken die tegen mij zei: "Waar is de Here, uw God?" (Micha 7:10)
 Dit werd ook tegen Jezus gezegd toen hij aan het kruis hing. "Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden. Hij heeft zijn vertrouwen op God gesteld; laat die Hem nu verlossen, indien Hij een welgevallen in Hem heeft; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon". Jezus heeft de spot verdragen en gebeden voor Zijn vijanden. Hij heeft onze zonden gedragen. We konden nooit in eigen kracht rechtvaardig zijn. Maar doordat we in Christus Zijn rechtvaardigheid ontvangen worden we van binnenuit veranderd naar Zijn beeld en worden we werkelijk vrij. Jezus heeft de straf gedragen.


"Wie is een God als U, Die de ongerechtigheid ​vergeeft, Die voorbijgaat aan de ​overtreding van het overblijfsel van Zijn eigendom? Hij zal niet voor eeuwig vasthouden aan Zijn toorn, want Hij vindt vreugde in goedertierenheid. Hij zal Zich weer over ons ontfermen, Hij zal onze ongerechtigheden vertrappen,  ja, U zult al hun ​zonden​ werpen in de diepten van de zee. U zult ​Jakob​ de trouw bewijzen
en ​Abraham​ de goedertierenheid, die U aan onze vaderen gezworen hebt vanaf de dagen van weleer."

woensdag 24 januari 2024

24. Koninkrijken

 "Wanneer uw dagen voorbij zijn en u met uw vaderen ontslapen bent, zal Ik uw nakomeling na u, die uit uw lichaam voortkomt, doen opstaan en Ik zal zijn koningschap bevestigen. Die zal voor Mijn Naam een ​huis​ bouwen, en Ik zal de ​troon​ van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen. Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn......Uw ​huis​ en uw koningschap zullen voor uw ogen voor eeuwig vaststaan, uw ​troon​ zal voor eeuwig zeker zijn." (2 Sam 7:12)

Maar ook David begon te zondigen. Overspel, moord. God beloofde ook dat David geen rust meer zou kennen en dat zijn eigen zich kinderen tegen hem zouden keren. Toch blijft hij wandelen met God. Hij komt zijn tekortkomingen onder ogen en aanvaard Gods wegen. Ook in alle tegenslagen blijft hij vertrouwen op God. De laatste woorden van David gaan over de komende Messias. 

"De Rots van Israël heeft tot mij gesproken: Er komt een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige, een Heerser in de vreze Gods. Hij is als het licht van de morgen,wanneer de zon opgaat,een morgen zonder wolken;als de glans na de regen, die groen laat opkomen uit de aarde. Hoewel mijn ​huis​ zo niet is bij God, heeft Hij mij toch een eeuwig ​verbond​ gesteld." (2 Sam 23: 3)

Salomo (ook wel Jedidja) regeerde net als David 40 jaar over Israël. In zijn rijk is er rust. God had hem gezegend met wijsheid en rijkdom. Hij bouwde de tempel maar ook Salomo zondigde. Maar in tegenstelling tot David keert hij zijn hart van God af en gaat de afgoden van zijn vrouwen aanbidden. God laat het koninkrijk in tweeën breken. Zijn zoon Rehabeam wordt niet geaccepteerd als koning van Israël. Israël kiest een andere koning en zo zijn er nu twee koninkrijken. Israël en Juda/Benjamin. Het gaat van kwaad tot erger. De koningen van Israël verleiden het volk om afgoden te dienen en koningen van Juda blijken God niet te kennen en beginnen steeds meer van God af te wijken. Af en toe is er een opleving van het geloof maar het blijft een afglijdende schaal. Het werd zo erg dat ze net zo slecht werden als de volken die God voor hen had verdreven en zelfs nog erger.


"Maar de Israëlieten hadden geen vertrouwen in de Heer, hun God. Ze waren net zo ​ongehoorzaam​ als hun voorouders. Ze luisterden niet naar de waarschuwingen van de Heer. Ze leefden niet volgens de wetten en regels die hij aan hun voorouders gegeven had. Ze vereerden ​goden​ die niets waard waren, en daardoor waren ze zelf niets meer waard. Ze gingen net zo leven als de volken om hen heen, ook al had de Heer hun dat verboden. De Israëlieten vergaten alle wetten van de Heer, hun God. Ze maakten twee beelden van stieren, en ze maakten een ​heilige​ paal voor de godin ​Asjera. Ze vereerden de sterren en dienden de god ​Baäl. Ze offerden hun ​kinderen, ze gingen naar ​waarzeggers, en ze probeerden ook zelf de toekomst te voorspellen. Ze deden alles wat de Heer slecht vond, en zo beledigden ze hem. Toen werd de Heer woedend op de Israëlieten. Hij stuurde ze weg uit hun land."

Assyrië voerde Israël weg en liet het land bevolken door kolonisten uit Babel en omstreken (de Samaritanen, die naast hun eigen godsdienst, ook de wetten van de God van Israël wilden volgen) en later werd Juda weggevoerd naar Babel. In deze tijden stonden de profeten op om het volk steeds weer te waarschuwen maar ook om te wijzen naar een nieuwe toekomst. Gods verlossingsplan.

dinsdag 23 januari 2024

23. Psalmen

 De Psalmen zijn in het hart van de Bijbel. Ze tonen de relatie tussen mens en God. De Psalmen verwoorden oprechte gevoelens en emoties van mensen, die wandelen met God. Als we onze diepste gevoelens uiten kan de ander ons werkelijk leren kennen. We mogen eerlijk zijn naar God en alles met Hem delen. Niets is Hem vreemd. Hij kent ons ten diepste, zelfs onze gedachten zijn niet voor Hem verborgen. In de Psalmen ontdekken we ook wie God is. Barmhartig en genadig, lankmoedig, groot in goedheid en trouw. Maar ook heilig en rechtvaardig. Maar er zijn ook Psalmen die profetisch vooruit wijzen naar de komst en het werk van de Messias.


De Psalmen zijn onder te verdelen in vijf boeken die lijken op de vijf boeken van Mozes.
Boek één is Psalm 1 t/m 41 en gaat over de schepping en is te vergelijken met Genesis. Hoe de mens werd geschapen en zondigde en hoe er verlossing werd beloofd. Boek twee is Psalm 42 t/m 72 en is te vergelijken met het boek Exodus. Het gaat vooral over het volk Israël. Boek drie is Psalm 73 t/m 89 en is te vergelijken met het boek Leviticus en gaat vooral over de tempel en Gods troon. Boek vier is Psalm 90 t/m 106 is te vergelijken met het boek Numeri en gaat over de relatie van het volk Israël met de omringende volken en Gods Koninkrijk. Boek vijf is Psalm 107 t/m 150 en is te vergelijken met het boek Deuteronomium en gaat over God en zijn woord. Hierin staan veel dank en lofliederen.

Jezus was vertrouwd met de Psalmen en haalt ze in zijn toespraken en gesprekken vaak aan. Hij heeft de Psalmen niet alleen aangehaald maar ook gezongen en gebeden. Kijk maar naar het laatste avondmaal. Nadat de Paschamaaltijd was beëindigd was het de gewoonte om het klein Hallel te zingen (Psalm 115-118) "Nadat ze de lofzang hadden gezongen, vertrokken ze naar de Olijfberg." (Mat.26:30) 

De Psalmen haalt Jezus in de evangeliën 16 keer aan. 

Jezus gebruikt de Psalmen om zijn boodschap te verwoorden. Zoals we gister al zagen in Psalm 110 om aan de Farizeeërs en omstanders duidelijk te maken dat Hij de Zoon van David is, de Koning tot in eeuwigheid.“De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik je vijanden onder je voeten heb gelegd.'”  Maar ook bij de intocht in Jeruzalem als de kinderen zingen 'Hosanna voor de Zoon van David'. Als de hogepriesters en Schriftgeleerden hem hierom terecht willen wijzen haalt hij Psalm 8:3 aan waar staat.“Door de mond van kinderen en zuigelingen hebt u zich een loflied laten zingen” en in Psalm 118: 22  ‘Hebt u dit nooit in de Schriften gelezen:”De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden.” 

Hij gebruikt Psalmen ook om zijn gemoedstoestand aan te geven. Bijvoorbeeld in Getsemane  ‘Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt met Mij’. dit staat in Psalm 42:6 en 12 en in Psalm 43:5. 


Aan het kruis Jezus maakt de Psalmen tot een gebed ‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ Dat staat in Psalm 31: 6 en ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?' Psalm 22. Deze laatste Psalm is een profetische Psalm die bijna alles beschrijft wat er tijdens de kruisiging gebeurde. In vers 23 en 25 van deze Psalm mogen we ook lezen dat Jezus bij het uitroepen van deze Psalm wist van Gods verlossing en daarop vertrouwde.

"Zij doorsteken mijn handen en voeten. Ik kan mijn beenderen tellen. Zij vermaken zich door naar mij te komen kijken. Zij verdelen mijn kleren onder elkaar en loten wie mijn mantel mag hebben. Here, blijf toch niet zo ver van mij af staan. Kom snel bij mij en help mij! U bent immers mijn kracht? Red mijn leven en voorkom dat ik door het zwaard word gedood. Ik ben eenzaam zonder U. Wend het geweld van deze honden van mij af. Bevrijd mij uit de muil van de leeuw en bescherm mij tegen de horens van de buffels. U hebt mij antwoord gegeven! Ik zal mijn broeders uw naam bekendmaken, te midden van de gelovigen zal ik een lied zingen tot uw eer! U die ontzag voor de Here hebt, prijs zijn naam.  Verhoog Hem, volk van Israël, heb diep ontzag voor de Here, volk van Israël! Want Hij veracht de zwakke niet. Hij is niet te goed om te helpen. Hij hoort het wanneer Hij te hulp wordt geroepen." (Psalm 22: 18-25)

Ook in de Psalmen zijn heel veel verwijzingen naar Jezus als Messias, die stierf voor onze zonden en opstond uit de doden.

maandag 22 januari 2024

22. Koning voor eeuwig

 "De zonde betaalt een hard loon: de dood! Maar de genade van God geeft wat niemand verdient: eeuwig leven met Christus Jezus, onze Here." (Romeinen 6:23)


Toen Jozua en zijn leeftijdsgenoten waren gestorven kwam de volgende generatie die niet vertrouwd was met wat de Here voor Israël had gedaan. Ze begonnen zich te vermengen met de overgebleven omringende bevolking en hun afgoden te aanbidden. Daarom leverde Here ze uit aan de omringende volken. Ze kregen het zwaar te verduren maar telkens redt hen de Here...

De Here liet steeds weer richters opstaan om ze te bevrijden, dan hadden ze rust zolang de richters leefden. Maar telkens als een richter stierf ging het volk weer zijn eigen gang en deed zijn eigen zin. Het ging van kwaad tot erger. 

" En de Here stuurde ​Gideon, Balak, Jefta en mij, ​Samuel. Zo bevrijdde hij u uit de greep van de vijanden die u omringden en kon u hier onbezorgd wonen." 
(1 Samuël 12:11-12)

Maar het volk wil geen richters. Ze willen niet langer dat God als Koning over hen heerst. Ze willen een mens als Koning. Zichtbaar en tastbaar. Ze vergeten dat een menselijke koning ook Gods Koningschap moet erkennen om ze werkelijke vrede te kunnen geven. God is de Heer der heren en de Koning der koningen. Toch had God al voorzien dat het volk zou verlangen naar een aardse koning. En gaf in de woestijn al een paar waarschuwingen en geboden.

"Wanneer u in het land komt dat de Here, uw God, u geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, en u dan zegt: Ik wil een ​koning​ over mij aanstellen, zoals al de volken die rondom mij zijn, dan moet u voorzeker hem tot ​koning​ over u aanstellen die de Here, uw God, verkiezen zal. Uit het midden van uw broeders moet u een ​koning​ over u aanstellen; u mag geen buitenlander over u zetten, die uw broeder niet is. Maar hij mag voor zichzelf niet veel paarden aanschaffen en het volk niet laten terugkeren naar ​Egypte​ om veel paarden aan te schaffen, omdat de Here tegen u gezegd heeft: U mag nooit meer langs deze weg terugkeren. Ook mag hij voor zichzelf niet veel vrouwen nemen, anders zal zijn ​hart​ afwijken. Hij mag voor zichzelf ook niet al te veel zilver en goud nemen. Verder moet het zó zijn, als hij op de ​troon​ van zijn koninkrijk zit, dat hij voor zichzelf op een ​boekrol​ een afschrift van deze wet schrijft, vanuit de rol die onder het toezicht van de Levitische ​priesters​ is. Dat moet bij hem zijn en hij moet er alle dagen van zijn leven in lezen om de Here, zijn God, te leren vrezen en om alle woorden van deze wet en deze verordeningen in acht te nemen door ze te houden, opdat zijn ​hart​ zich niet verheft boven zijn broeders, opdat hij niet afwijkt van het gebod, naar rechts of naar links en opdat hij zijn dagen verlengt in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, te midden van Israël. (Deut 17)

Samuel​ zei: ‘Dit zegt de Heer, de God van Israël: ‘Ik heb jullie uit ​Egypte​ bevrijd. Ik heb jullie gered van de ​Egyptenaren​ en van alle andere vijanden. Ik heb jullie altijd gered uit rampen en moeilijkheden. Maar nu willen jullie mij niet meer gehoorzamen, en jullie vragen om een ​koning! Goed, kom dan maar met alle ​stammen​ en families voor mijn ​altaar​ staan.’’ 
Saul wordt als koning gezalfd maar al na 2 jaar koningschap wordt hij uit angst voor mensen God ongehoorzaam. Hij vertrouwt niet op God. God heeft dan al een andere koning op  het oog.

"maar nu zal uw koningschap geen stand houden. De Here heeft een man naar Zijn ​hart​ voor Zich uitgezocht, en de Here heeft hem de opdracht gegeven een vorst te zijn over Zijn volk, omdat u niet in acht genomen hebt wat de Here u geboden had."  (1Sam13:14)

David is de man naar Gods hart. Hij blijft op Gods goedheid vertrouwen ook al is hij zondig en neemt hij verkeerde beslissingen. David keert steeds terug en zoekt Gods wil. Hij vertrouwt zijn leven aan Hem toe. Hij weet God is goed en dat alleen bij Hem redding is. Voor David was God de werkelijke Koning. David die profeteert in de psalmen van de komende Koning die een eeuwig Koningschap zal leiden.



"De Here heeft tot mijn Here gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben tot een voetbank voor Uw voeten. De Here strekt Uw machtige ​scepter​ uit vanuit ​Sion en zegt: Heers te midden van Uw vijanden. Uw volk is zeer gewillig op de dag van Uw kracht,  getooid met ​heilig​ ​sieraad; uit de baarmoeder van de dageraad is voor U de dauw van Uw jeugd. De Here heeft gezworenen Hij zal er geen ​berouw​ van hebben: U bent ​Priester​ voor eeuwig, naar de ordening van Melchizedek." (Psalm 110)

Deze woorden spreekt David over Jezus Christus. Deze psalm haalt Jezus aan als hij door de Farizeeërs wordt gevraagd naar zijn bevoegdheid en zijn claim dat Hij de Messias is. Hij is de Zoon van David. De werkelijke Koning/Priester die komen zou. Zijn Koninkrijk die niet van deze wereld is.

"‘Ik heb voor jullie een vraag over de ​messias. Van wie is hij een zoon?’ De ​farizeeën​ antwoordden: ‘De ​messias​ is de ​zoon van ​David.’ Jezus zei tegen hen: ‘Maar David zelf noemde hem Heer. Want dit zijn Davids woorden, die de heilige Geest hem liet zeggen: «God zei tegen mijn Heer: Kom naast mij zitten, aan de rechterkant. Ik zal je vijanden diep voor jou laten buigen.» David​ noemde de ​messias​ dus zijn ​Heer. Hoe kan de ​messias​ dan tegelijk ​Davids​ zoon zijn?’" (Matt 22)



zondag 21 januari 2024

21. Rachab

 "Door het geloof is Rachab, de hoer niet omgekomen met de ongehoorzamen, omdat zij de verkenners met vrede had ontvangen." (Hebreeën 11)


Twee verkenners worden door Jozua naar Jericho gestuurd. Ze gaan de herberg binnen van Rachab. Mensen hebben ontdekt dat er verkenners in de stad zijn. Ze zagen de mannen bij Rachab naar binnen gaan. Maar Rachab verstopt de mannen onder het vlas dat op het dak te drogen ligt. Rachab zegt tegen de mannen van de stad dat ze niet wist dat het verkenners waren en dat ze al weg waren gegaan. Zo redt ze de verkenners en laat ze via het raam vluchten. 

Ze heeft getuigt van haar geloof: 

"Want wij hebben gehoord, dat de Here de wateren van de Schelfzee voor uw ogen heeft doen opdrogen, toen gij uittoogt uit ​Egypte, en wat gij gedaan hebt aan de beide koningen der Amorieten aan de overzijde van de ​Jordaan, ​Sichon​ en Og, die gij met de ban geslagen hebt. Toen wij dat hoorden, versmolt ons ​hart​ en vanwege u bleef bij niemand meer enige moed over, want de Here, uw God, is een God in de hemel boven en op de aarde beneden." (Jozua 2)

Rachab vroeg of zij en haar familie gespaard mochten blijven als de stad wordt aangevallen. Het mocht. Ze moet een scharlaken koord aan haar raam bevestigen. Als ze bij het veroveren van de stad dit teken zien dan zouden allen die bij haar in huis zijn gespaard blijven. 

Het lijkt een beetje op het bloed van het lam dat de Israëlieten op de deurposten moesten aanbrengen om de doodsengel voorbij te laten gaan. Rachab moet een scharlaken, een bloedrood koord aan het raam binden. 

Na de val van Jericho is Rachab en haar familie onder de Israëlieten gaan wonen. Ze trouwde met Salmon en kreeg een zoon Boaz. De man die later met Ruth zou trouwen en Obed verwekte. Obed de  vader van Isaï de vader van David. Zo komt Rachab in het familieregister van Jezus te staan. En wordt zij in Hebreeën betiteld als geloofsheld. Haar verhaal gaat door. Haar geloof heeft haar gered. God veranderd mensen. Van een leven in de knoop naar een nieuw leven in een nieuwe gemeenschap een leven dat zin en doel krijgt.

Net zoals er genade was voor Rachab de hoer, is er genade voor ons door het werk van Christus. 
God kijkt niet naar wat we doen of wat we bezitten of hoe mensen naar ons kijken. Hij kijkt niet naar onze zonden maar geeft ons onverdiende genade als wij onszelf aan Hem toevertrouwen.

zaterdag 20 januari 2024

20. Jozua, God redt

 We zijn aanbeland op de helft van de 40-dagentijd. We hebben met Mozes de woestijn doorkruist en nu staan we voor het beloofde land. Vandaag een mooi lied van Martijn Buwalda. Nog één rivier.


Mozes mag het volk Israël niet naar het beloofde land brengen. Hij is God ongehoorzaam geweest. Voor de tweede keer zou God water uit een rots doen komen. Dit keer niet door het slaan van een staf maar doordat Mozes in bijzijn van al het volk tegen de steen zou spreken. Maar uit woede over het gemopper van het volk slaat hij tweemaal op de rots en vraagt het volk: "Zullen wij water voor u uit deze steenrots voortbrengen?" Hij heeft God niet gehoorzaamd en geëerd. Mozes mag het beloofde land vanaf een berg vanuit de verte zien maar zal het beloofde land zien maar niet binnengaan. Mozes waarschuwt het volk en herhaalt Gods ge- en verboden en profeteert dat er een Profeet zal komen.

"Een ​Profeet​ uit uw midden, uit uw broeders, zoals ik, zal de HEERE, uw God, voor u doen opstaan; naar Hem moet u luisteren,"(Deut 18:15)

Mozes sterft op de berg tegenover Jericho en werd honderdtwintig jaar oud. Veertig jaar in Egypte, veertig jaar als herder en veertig jaar als leider van het volk Israël. Jozua was zijn dienaar.

"Wanneer het volk de wolkkolom bij de ingang van de tent zag staan, boog ieder zich voor de ingang van zijn tent neer. De HEER sprak persoonlijk met Mozes, zoals een mens met een ander mens spreekt. Daarna keerde Mozes terug naar het kamp, maar zijn jonge dienaar Jozua, de zoon van Nun, verliet de tent niet." (Exodus 33:7-11)


Jozua (God redt) die voorheen Hosea (Redder) heette wordt door God aangewezen als de opvolger van Mozes. Jozua was vol van de Geest der wijsheid, want Mozes had zijn handen op hem gelegd. Het volk luisterde naar hem. Hij is het beeld van Jezus.

"Toen sprak ​Mozes​ tot de Here: Laat de Here, de God Die aan alle vlees de adem geeft, over deze gemeenschap een man aanstellen, die voor hen uitgaat en die voor hen ingaat, en die hen doet uitgaan en die hen weer doet ingaan, opdat de gemeenschap van de Here niet zal zijn als schapen die geen ​herder​ hebben. Toen zei de Here tegen ​Mozes: Neem Jozua bij u, de zoon van Nun, een man in wie de Geest is, en leg uw hand op hem." (Numeri 27:18)

Als Jozua veertig jaar is mag het volk naar het beloofde land leiden. Naar de rustplaats waar de vorige morrende generatie die niet binnen mocht gaan.
"Veertig jaar voelde ik weerzin tegen hen. Ik zei: Het is een stuurloos volk dat mijn wegen niet wil kennen. En ik zwoer in mijn woede: Nooit gaan zij mijn rustplaats binnen!" (Psalm 95:10-11).
Ze moeten de Jordaan oversteken. De priesters met de ark van het verbond gaan voorop.  Zodra de voetzolen van de priesters het water raken, zal het water van de Jordaan zal het water stoppen met stromen. De priesters moeten met de ark in het midden blijven staan zodat het volk over het droge naar de overkant kunnen gaan. Mozes, die staat voor de wet kon het volk niet in het beloofde land brengen. Jozua bleef vertrouwen en staat voor het geloof. Hij brengt de mensen naar de overkant. Maar de volmaakte rust moet nog komen. Was de rust hun al door Jozua gegeven, dan zou God daarna niet meer over een andere (rust)dag hebben gesproken. Er wacht het volk van God dus nog steeds een sabbatsrust. (Hebreeën 4:8-9)


vrijdag 19 januari 2024

19. Mozes, de slang

 De bouw van de tabernakel wordt voltooid. De mensen gaven met een gul hart alles wat daar voor nodig was en God had speciale mensen aangewezen, die de gave hadden om alles te maken. God komt in hun midden wonen. Dan vertrekken ze van de berg Horeb en gaan ze op weg naar het beloofde land. Maar na drie dagen begon het volk al weer te klagen over allerlei tegenslagen.

Dan komen ze bij de grens van het beloofde land en Mozes stuurt twaalf verspieders. Het is werkelijk een vruchtbaar land maar er zijn ook versterkte steden, sterke legers en reuzen. Tien verspieders ontmoedigen het volk, zodat het weer begint te klagen en terug wil naar Egypte. Alleen Kaleb en Hosea (Jozua) kijken niet naar wat voor ogen is maar vertrouwen op Gods kracht. Het volk wordt bestraft en de hele generatie van twintig jaar en ouder zal niet in het beloofde land komen. Veertig jaar lang zullen ze in de woestijn moeten doorbrengen. Nu begint het volk echt te klagen. Willen terug naar Egypte en ze willen andere leiders. "Waarom hebt u ons uit Egypte geleid en laat u ons hier in de wildernis sterven? Er is hier niets te eten en te drinken en we walgen van dat flauwe manna"

Hierop laat de Here giftige slangen in het kamp komen en velen worden gebeten en sterven. Mozes bidt of de slangen mogen weggaan maar God zegt dat hij een koperen slang moet maken en die op een paal moet bevestigen, zodat ieder die gebeten is en naar de koperen slang kijkt blijft leven.

In het gesprek met Nicodemus in Johannes 3 haalt Jezus deze gebeurtenis aan. Hij zegt:

"En zoals ​Mozes​ de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden. Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de Naam van de eniggeboren ​Zoon van God."

Jezus die geen zonde heeft gekend is voor ons tot zonde gemaakt, zodat wij tot gerechtigheid zouden worden in Hem2 kor 5:21

donderdag 18 januari 2024

18. Mozes, de tabernakel

 Na het ontvangen van de wetten en de regels nodigt God Mozes uit om op de top van de berg te komen. "Klim op tot mij."(Exodus 24) De heerlijkheid van God rust op de berg. Zes dagen was bedekte een wolk de berg en op de zevende dag begint God tot Mozes te spreken. Op de top van de berg krijgt Mozes de opdracht voor het bouwen van de tabernakel. Een kopie van de ware ​heilige​ ​tent​ in de hemel. Het laat ons zien hoe we tot God kunnen naderen. Het is Gods grote verlangen om in het midden van Zijn volk te wonen.


Wat een wonder dat God, de Eeuwige, Almachtige en bovenal Heilige God onder ons wil 'tabernakelen.' Eigenlijk kan de Heilige God helemaal niet onder mensen wonen. We zouden zijn aanwezigheid niet eens overleven. Maar hij liet de mens niet sterven, Hij stierf zelf. God gaf zijn eigen Zoon en liet Hem sterven. Hij maakte het contact met Hemzelf mogelijk. Door te sterven voor onze zonden en ons Zijn rechtvaardigheid en heiligheid te geven. Daardoor werd het mogelijk dat God bij ons kan wonen.

Als we naar de tabernakel kijken dan zien we eerst een ruim twee meter hoge omheining gemaakt van witte doeken, die staan voor heiligheid. Als we eromheen lopen zien we een ingang. We kunnen naar binnen lopen. Daar staat een tent en voor die tent een groot brandoffer altaar.

Het brandoffersaltaar staat voor het offer van Jezus aan het kruis. Met Christus zijn ook wij gestorven aan ons oude leven. Maar we zijn ook met Christus opgestaan en mogen ons oude leven afleggen en ontvangen de natuur van Christus.

"Daarom zegt Hij bij zijn komst in de wereld: Slachtoffer en offergave hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid; in ​brandoffers​ en zondoffers hebt Gij geen welbehagen gehad. Toen zeide Ik: zie, hier ben Ik – in de ​boekrol​ staat van Mij geschreven – om uw wil, o God, te doen."

Na het brandoffersaltaar zie je een wasvat waar de priesters hun handen en voeten moesten wassen. Bij het wasvat moet het allerdaagse leven in overeenstemming worden gebracht met het nieuwe leven dat bij het brandoffer altaar is toegezegd. Het wasvat is gemaakt van koperen spiegels. Je ziet jezelf, je zonden maar ook dat je steeds meer gevormd wordt naar het beeld van Christus Jezus. Het wasvat is het waterbad met het Woord. Het Woord reinigt ons van binnen.

"En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is."

Dan mogen we de donkere tent betreden. Het heilige, van binnen helemaal van goud. Het voorhof waar we net waren ging alles om wat Christus voor ons heeft gedaan. In het heilige gaat het om de Heilige Geest die werkt in ons werkt. 

Het is niet donker in de tent maar er straalt licht van de zevenarmige kandelaar, die door alle gouden wanden weerspiegelt wordt. De kandelaar staat voor Christus en Zijn gemeente die één zijn door de Geest. Ook staat er een tafel met twaalf toonbroden gemaakt van het manna. We voeden ons met Christus. Het levende brood. Dan staat er nog een reukofferaltaar, dat staat voor onze aanbidding en herinnerd ons voortdurend aan Zijn geliefde Zoon. Het maakt ons klein en Hem groot.

"Want uit Hem (kandelaar) en door Hem (tafel met toonbroden) en tot Hem (reukofferaltaar) zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! ​Amen." (Romeinen 11:36)

Dan komen we bij het voorhangsel, de toegang tot het heilige der heiligen, de woonplaats van God. Er staan Cherubs op afgebeeld. Het doet ons denken aan die eerste Cherubs in Genesis 3 die de toegang tot de boom des levens moest bewaken met een flikkerend zwaard. Hoe kunnen wij ooit deze plaats betreden. Alleen de Hogepriester mocht één maal per jaar dit gedeelte van de tent bezoeken. Bij de kruisiging van Jezus lezen we dat het voorhangsel in de tempel van boven naar beneden in tweeën scheurde. De toegang tot God werd mogelijk.

"Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het ​heiligdom​ door het bloed van ​Jezus, langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees."

Jezus stierf niet alleen voor onze zonden, hij heeft ook zijn erfenis, dat is Zijn Heiligheid, Rechtvaardigheid en Toewijding gegeven. Wij zijn volmaakt in Christus. We hebben intieme omgang met God niet op basis van  onze eigen verdiensten waarin we altijd te kort zullen schieten maar op grond van wat Jezus Christus voor ons heeft gedaan! Ik ben de weg de waarheid en het leven, niemand komt tot de Vader dan door mij!!!

In het heilige der heiligen staat de ark van het verbond. Hierin ligt God volmaakte wet van liefde, waar nooit aan kunnen voldoen. Bovenop de ark is het verzoendeksel en dat is Christus. 

"Thans is echter buiten de wet om ​gerechtigheid​ Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, en wel ​gerechtigheid​ Gods door het geloof in [Jezus] ​Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn ​genade, door de verlossing in ​Christus​ ​Jezus. Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel(in de grondtekst staat verzoendeksel) door het geloof, in zijn bloed, om zijn ​rechtvaardigheid​ te tonen, daar Hij de ​zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden – om zijn ​rechtvaardigheid​ te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf ​rechtvaardig​ is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in ​Jezus​ is." (Romeinen 3:21)

Alles wijst weer naar het volbrachte werk van Christus. Er valt nog zoveel meer over te vertellen. Een heel leuk boekje hierover is 'De Tabernakel' van Henk Binnendijk.

woensdag 17 januari 2024

17. Mozes, de wet

 "Niemand heeft een excuus voor zijn slechte gedrag. Iedereen is schuldig tegenover God. En niemand wordt gered doordat hij zich aan de Joodse wet houdt. Want het lukt niemand om alles te doen wat er in de wet staat. De wet leert ons juist dat ieder mens verkeerde dingen doet. God redt iedereen die gelooft. Maar God wil de mensen redden. Dat wordt al verteld in de heilige boeken. En nu mag het aan iedereen bekendgemaakt worden: Mensen worden gered, niet doordat ze zich aan de wet houden, maar doordat ze geloven. Want God redt iedereen die gelooft in Jezus Christus." (Romeinen 3: 19-22)

Eindelijk komt Mozes met het volk bij de Horeb. De berg van God waar hij bij de brandende doornstruik met God had gesproken. "En dit zal u het teken zijn, dat Ik u gezonden heb: wanneer gij het volk uit ​Egypte​ hebt geleid, zult gij God dienen op deze berg." En nu is het zover. Mozes beklimt de berg en God spreekt daar met hem en maakt het verbond met het volk. Hij daalt neer in vuur, bliksem en rook. Hij spreekt in donder en de berg beeft. 

God geeft hen de tien geboden op steen en allerlei leefregels om op een goede en rechtvaardige manier met elkaar om te gaan in alle mogelijke situaties. Samengevat staat er in de wet dat we de Here, onze God zullen liefhebben met geheel ons hart en met geheel onze ziel en met geheel ons verstand en met geheel onze kracht en dat we onze naaste zullen ​liefhebben​ als onszelf. Voor de mensen een bijna onmogelijke opgave. Altijd het goede doen en liefhebben. We zijn geen heiligen en struikelen telkens weer. De wet bracht onze onvolmaaktheid wel heel erg aan het licht. Om moedeloos van te worden.

De wet werd van buitenaf opgelegd. Maar God geeft in Ezechiël 36 een belofte. Hij gaat ons van binnenuit veranderen. Hij zal ons een nieuw hart geven.

"Een nieuw ​hart​ zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het ​hart​ van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een ​hart​ van vlees geven. Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt." 

Het doel van een Christen om niet meer te zondigen. Het doel van een Christen is Christus leren kennen. Christus is het einde van de wet. (Rom 10:4) De wet vindt zijn doel in Christus, zodat iedereen die gelooft rechtvaardig zal worden verklaard. De levende Jezus komt wonen in ons hart. In Christus zijn we heilig en volmaakt. We geloven dat de wet niet meer van buitenaf opgelegd wordt maar voortvloeit uit de Liefde die God ons geeft. God verandert ons naar het beeld van Zijn Zoon doordat Hij ons vult met de Heilige Geest. Met Zijn Liefde worden wij van dag tot dag veranderd. De wet is niet meer nodig, want de liefde vervult de wet.

We zijn volledig rechtvaardig en aanvaard door God als we Zijn genade aanvaarden. We zondigen nog steeds elke dag maar de zonde wordt ons niet meer toegerekend. Jezus heeft het loon van de zonde betaald d.i. de dood. Als we die verzoening aanvaarden dan zijn we een nieuwe schepping.

We weten dat niemand als rechtvaardige wordt aangenomen door de wet na te leven, maar door het geloof in Jezus Christus. Ook wij zijn tot geloof in Christus Jezus gekomen om daardoor, en niet door de wet, rechtvaardig te worden, want niemand wordt rechtvaardig door de wet na te leven. En in ons streven om door Christus rechtvaardig te worden, blijkt dat wijzelf ook zondaars zijn. Betekent dit dat Christus dus in dienst staat van de zonde? Natuurlijk niet. Maar wanneer ik weer aanneem wat ik had verworpen, maak ik van mezelf opnieuw een overtreder. Want ik ben gestorven door de wet en leef niet langer voor de wet, maar voor God. Met Christus ben ik gekruisigd: ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij. Mijn leven hier op aarde leef ik in het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zich voor mij heeft prijsgegeven. Ik verwerp Gods genade niet; als we door de wet rechtvaardig zouden kunnen worden, zou Christus voor niets gestorven zijn. (Gal 2:16) 

dinsdag 16 januari 2024

Zondag 3, ogen

 "Vertrouwelijk gaat de HEERE om met wie Hem vrezen, Zijn ​verbond​ maakt Hij hun bekend. Mijn ogen zijn voortdurend gericht op de HEERE, want Hij bevrijdt mijn voeten uit het net." 

(Psalm 25: 15)

Deze derde zondag in de 40-dagentijd staat psalm 25:15 centraal. Zondag oculi (ogen), waar zijn onze ogen op gericht? Wat zien we als we kijken? Zie je alle dingen van de wereld of heb je een ander perspectief gekregen. Kunnen wij met Gods ogen naar deze wereld kijken? Hoe kijkt God naar deze wereld?

God heeft ons gezien. Hij doorgrondt en kent ons. Hij kent ons hart en wat er in ons leeft. Hij kent ons beter dan wij onszelf kennen. Zijn ogen gaan over de gehele aarde, om krachtig bij te staan hen, wier ​hart​ volkomen naar Hem uitgaat. Zoals we ook bij Mozes hebben gelezen: "Ik heb duidelijk de onderdrukking van Mijn volk, dat in ​Egypte​ is, gezien en heb hun geschreeuw om hulp vanwege hun slavendrijvers gehoord. Voorzeker, Ik ken hun leed. 

Welke dingen we ook in ons leven meemaken we mogen weten dat God ons ziet en nabij is en het beste met ons voor heeft. "Want Ik weet, welke gedachten Ik over u koester, luidt het woord des Heren, gedachten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven."

Vaak hebben we een vertroebelt beeld van God. Nog steeds probeert de oude slang ons zijn oude leugen in te fluisteren. 'God heeft zeker gezegd dat je van geen boom mag eten.' Hij schetst een beeld van een god die het goede wil ontnemen en het beste voor zichzelf opeist. Hij schetst een beeld dat God niet het beste met je voor heeft, zodat je buiten God op zoek gaat naar vervulling. Dan willen we ons heil zelf verdienen. 

Jezus heeft ons laten zien wie God is. Hij heeft zichzelf gegeven om ons te redden. 

"Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe."

Als wij werkelijk gaan beseffen wie God is dan zullen wij ook naar Hem gaan verlangen. Zoals een bloem zich richt op het licht. Dan doen we de dingen niet meer om iets te verdienen maar om doen we dingen om God te eren. Om dicht bij Hem te zijn. 

"Des Heren vertrouwelijke omgang is met wie Hem vrezen."

16. Mozes, de woestijn

 "Toen de ​farao​ het volk had laten vertrekken, leidde God hen niet langs de ​weg​ die door het gebied van de Filistijnen loopt, ook al was dat de kortste route. God dacht namelijk: Als ze strijd zouden moeten leveren, konden ze wel eens spijt krijgen en teruggaan naar ​Egypte." (Exodus 13:17)


De Farao komt met een leger achter het volk aan. Ze zitten in de val. Ze kunnen geen kant op. De vijand aan de ene kant en de zee aan de andere kant. Maar dan, die wonderbaarlijke redding. God maakt een weg dwars door de zee en de Israëlieten kunnen met droge voeten aan de overkant komen. Het leger van de Farao kan hen niet volgen en komen om. Ze zijn verlost. Ze zijn vrij. Wat een blijdschap. Wat een wonder. God is goed.

Maar dan, nog geen drie dagen later...er is geen water. Een serieus probleem want zonder water red je het niet. Maar in plaats te blijven vertrouwen en te zien op wat Gods heeft gedaan, begint het volk te morren en te mopperen. Ondanks dat ze Gods werken met hun eigen ogen hebben gezien, vertrouwen ze God niet. Het zijn serieuze problemen. Het ontbreekt hen aan belangrijke levensbehoeften zoals water en eten. Maar ze gaan niet bidden en vertrouwen dat God zal voorzien.

Zodra er echt moeilijkheden komen vragen ze zich af of de Heer er wel is en of hij wel goed is. Ze vergeten alle ellende die ze als slaven hebben ondervonden en beginnen zelfs terug te verlangen naar de vleespotten van Egypte.

Herkennen we dat ook niet in ons eigen leven. Ik heb al vele wonderlijke dingen meegemaakt en ook verhalen gehoord van mensen die op wonderlijke wijze antwoord kregen. Al was het niet altijd het antwoord wat ze hadden verwacht. Toch heeft God hun leven op een wonderlijke wijze geleid. Denk bijvoorbeeld aan Corrie ten Boom. Ze maakte verschrikkelijke dingen mee maar in alles bleef ze vertrouwen. Achteromkijkend kan je zien dat God ons leven leidt.

Toch merk ook ik dat zodra er werkelijke problemen komen dat ik het zelf probeer op te lossen door me zorgen te gaan maken. Eigenlijk zeg je dan: "Heer ik vertrouw U niet." Het beste is dan terug te denken aan al die keren dat God je wel geholpen heeft. God is goed. Hij is erbij en zal ook nu zorgen. Dan sta je veel ontspannender in het leven. Dan kan je vragen: "God wat wilt U dat ik doe." Dat is het dagelijks wandelen met God.

Ondanks al het mopperen en morren geeft de Here ons het dagelijks brood. Dagelijks, niet het brood voor morgen. De Heer voorziet en elke ochtend ligt er manna. Zegt Jezus ook niet:"Wees dan niet bezorgd over de dag van morgen, want de dag van morgen zal voor zichzelf zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad." Zoiets staat er ook over het manna, het is voldoende.

"Ieder moet ervan verzamelen naar wat hij eten kan, een gomer per hoofd, naar het aantal van uw personen. Ieder moet het nemen voor hen die in zijn ​tent​ zijn. En zo deden de Israëlieten, zij verzamelden, de een veel en de ander weinig. Zij maten het met de gomer. Wie veel had verzameld, had niets over, en hem die weinig had verzameld, ontbrak niets. Ieder had zó veel verzameld als hij eten kon. En ​Mozes​ zei tegen hen: Niemand mag ervan overlaten tot de volgende morgen." 
(Exodus 16)

Jezus vergelijkt zichzelf met dit brood en roept ons op om dagelijks met Hem te voeden, om met Hem te leven. Hij heeft zijn leven gegeven opdat wij eeuwig zouden Leven. Jezus Leven in ons. Ik ben niet van mijzelf maar van Hem die zijn leven voor mij heeft gegeven.

"Werk niet om het voedsel dat vergaat, maar om het voedsel dat blijft tot in het eeuwige leven, dat de Zoon des mensen u geven zal... Want het brood van God is Hij Die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld het leven geeft. Zij zeiden dan tegen Hem: Heere, geef ons altijd dat brood. En ​Jezus​ zei tegen hen: Ik ben het Brood des levens; wie tot Mij komt, zal beslist geen honger hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben. En dit is de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren laat gaan, maar het doe opstaan op de laatste dag....
Jezus​ dan zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als u het vlees van de Zoon des mensen niet eet en Zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in uzelf."
(Johannes 6)

Lees de Bijbel met mij...33 Ga op weg

 Lees Exodus 1, 2 en 3 We hebben het boek Genesis afgesloten. Het is 400 jaar later. De nakomelingen van Israël zijn een heel groot volk gew...